Alle leestekens

Je leert alle leestekens in één zin zetten: aan het eind, onderweg en rond wat iemand zegt.

Zo doe je de proef

  1. Lees de zin hardop.
  2. Vertel, vraag of roep je iets? Dan weet je het teken aan het eind.
  3. Stopt je stem onderweg, of staat er een rijtje? Zet een komma.
  4. Zegt iemand iets letterlijk? Zet dan een dubbele punt ervoor en aanhalingstekens eromheen.
Sam vraagt waar is mijn jasSam vraagt: “Waar is mijn jas?”

Een voorbeeld, uitgewerkt

Zet de leestekens: Sam vraagt Waar is mijn jas

  1. Lees de zin hardop.
  2. Sam zegt iets letterlijk, dus na vraagt een dubbele punt.
  3. Om zijn woorden komen aanhalingstekens.
  4. Hij vraagt iets, dus een vraagteken vóór het laatste aanhalingsteken: Sam vraagt: “Waar is mijn jas?”.
Nog meer voorbeelden

Zet de leestekens: Omdat het regende bleven wij binnen

  1. Na regende stopt je stem even: een komma.
  2. Je vertelt iets, dus aan het eind een punt.

Zet de leestekens: Wij kochten appels peren en bananen

  1. Een rijtje: een komma tussen appels en peren, geen komma voor en.
  2. Aan het eind een punt.

Zelf proberen

  1. Ik wilde meegaan maar ik had geen tijd

  2. Ik zo zei Tom.

Oefen dit

Let op

  • Je zet het vraagteken na het laatste aanhalingsteken.

    De vraag is van degene die praat. Het vraagteken hoort bij zijn woorden, dus binnen de aanhalingstekens.

Tips

  • Voor en in een rijtje komt geen komma.

Waarom het werkt

Leestekens laten zien hoe je een zin leest. Aan het eind staat wat voor zin het is: vertellen, vragen of roepen. Onderweg zet een komma een rustpunt. Zegt iemand iets letterlijk, dan staat dat tussen aanhalingstekens.