Vlakke figuren

Je leert vlakke figuren herkennen en benoemen.

Zo reken je het uit

  1. Tel de hoeken: drie is een driehoek, vijf een vijfhoek, zes een zeshoek.
  2. Vier rechte hoeken: vierkant of rechthoek.
  3. Scheef met even lange zijden: ruit.
  4. Twee paar evenwijdige zijden: parallellogram, één paar: trapezium.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Vier rechte hoeken, alle zijden even lang.

  1. Tel de hoeken: vier.
  2. Alle vier zijn ze recht.
  3. De zijden zijn ook even lang, dus het is een vierkant.
Nog meer voorbeelden

Vier hoeken, scheef, alle zijden even lang.

  1. Vier hoeken, maar ze zijn niet recht.
  2. De zijden zijn even lang: een ruit.

Vier hoeken, maar één paar evenwijdige zijden.

Boven en onder lopen evenwijdig, links en rechts niet: een trapezium.

Zelf proberen

  1. Hoe heet deze ?

  2. Hoeveel heeft deze ?

Oefen dit

Let op

  • Je denkt dat een vierkant geen rechthoek is.

    Een vierkant is een rechthoek met even lange zijden. Kies de naam die het meest zegt: vierkant.

Tips

  • Kies altijd de naam die het precieste is.

Uitzonderingen

  • Een cirkel heeft geen hoeken en geen rechte zijden.

Waarom het werkt

Elke figuur heeft zijn naam door zijn hoeken en zijn zijden. Wie die twee bekijkt, hoeft niets uit het hoofd te leren.