Verhaalsommen: plus en min
Je leert een verhaalsom oplossen: eerst lezen, dan vijf stappen.
Zo reken je het uit
- Tik de getallen aan die je nodig hebt.
- Kies wat ermee gebeurt: plus, min, keer of delen.
- Schrijf de som op.
- Kies hoe je hem uitrekent.
- Reken uit en kijk of het antwoord in het verhaal past.
- 1Getallenwelke heb je nodig?
- 2Wat gebeurt er?+ − × :
- 3Schrijf opde som
- 4Hoe?kies hoe je rekent
- 5Reken uiten kijk of het klopt
Een voorbeeld, uitgewerkt
In de klas zitten 14 jongens en 12 meisjes. Hoeveel kinderen zijn dat samen?
- Tik 14 en 12 aan.
- Twee groepen bij elkaar: dat is plus.
- Schrijf de som op: 14 + 12.
- Reken uit: 14 + 12 = 26 kinderen.
Nog meer voorbeelden
Fien spaarde 8 weken lang en had 120 euro. Ze gaf er 35 euro van uit. Hoeveel euro heeft ze nog?
- Tik 120 en 35 aan: de 8 weken heb je niet nodig.
- Er gaat iets af: dat is min.
- Reken uit: 120 − 35 = 85 euro.
156 leerlingen worden verdeeld over 6 klassen. Hoeveel leerlingen komen er in elke klas?
- Tik 156 en 6 aan.
- Eerlijk verdelen over groepen: dat is delen.
- Reken uit: 156 : 6 = 26 leerlingen per klas.
Let op
Je gebruikt alle getallen die in het verhaal staan, ook het aantal weken.
Vraag je bij elk getal af: heb ik dit nodig voor de vraag? Een getal dat er alleen staat, laat je staan.
Je kiest de som door één woord in het verhaal.
Kijk wat er gebeurt: komt er iets bij, gaat er iets af, is het steeds evenveel, of wordt het verdeeld?
Tips
- Check je antwoord: past het bij het verhaal?
Waarom het werkt
Een verhaalsom is een som die verstopt zit in een verhaal. Als je eerst goed leest, weet je wat er gevraagd wordt en welke getallen ertoe doen. Door de stappen één voor één te doen, zie je ook welke stap lastig is.