Wat gebeurt er in het verhaal?

Je leert woorden in een verhaalsom begrijpen, en kijken wat er echt met de getallen gebeurt.

Zo reken je het uit

  1. Lees het hele verhaal en vraag je af wat er gebeurt.
  2. Kies plus bij erbij of samen, en min bij eraf, overhouden of het verschil.
  3. Kies keer bij steeds evenveel, en delen bij eerlijk verdelen of in groepjes.
  4. Vertrouw niet op één woord: kijk wat er echt met de getallen gebeurt.
  1. 1Getallenwelke heb je nodig?
  2. 2Wat gebeurt er?+ − × :
  3. 3Schrijf opde som
  4. 4Hoe?kies hoe je rekent
  5. 5Reken uiten kijk of het klopt

Een voorbeeld, uitgewerkt

Sem heeft 12 knikkers en Noor heeft er 9. Hoeveel hebben ze samen?

  1. Lees het hele verhaal.
  2. Twee groepen worden bij elkaar gedaan: dat is plus.
  3. Reken uit: 12 + 9 = 21 knikkers.
Nog meer voorbeelden

Een ijsje kost 2 euro per stuk. Je koopt er 6. Wat betaal je?

  1. Lees het hele verhaal.
  2. Je betaalt 6 keer dezelfde prijs: dat is keer.
  3. Reken uit: 6 × 2 = 12 euro.

24 snoepjes worden eerlijk verdeeld over 4 kinderen. Hoeveel krijgt ieder kind?

  1. Lees het hele verhaal.
  2. Iets wordt eerlijk in gelijke stukken verdeeld: dat is delen.
  3. Reken uit: 24 : 4 = 6 snoepjes.

Let op

  • Je kiest de som alleen op één woord: bij ‘samen’ doe je altijd plus.

    In ‘Ze hebben samen 20 knikkers en Sem heeft er 12’ moet je juist min doen. Kijk wat er gebeurt, niet alleen naar het woord.

Tips

  • Zie je het verhaal niet voor je, teken het dan.

Waarom het werkt

Woorden als samen, eraf en verdeeld over zeggen iets over wat er gebeurt. Maar hetzelfde woord kan in een ander verhaal iets anders betekenen. Daarom lees je altijd het hele verhaal en kijk je wat er met de getallen gebeurt.