Het voegwoord

Je leert het voegwoord vinden: het woordje dat twee stukken zin aan elkaar plakt.

Zo doe je de proef

  1. Zoek de twee stukken zin: elk stuk heeft een eigen persoonsvorm.
  2. Kijk welk woordje ertussen staat: en, maar, want, omdat, als, dat.
  3. Haal het weg: houd je twee losse zinnen over? Dan is het het voegwoord.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het voegwoord aan: Ik blijf thuis, want ik ben ziek.

  1. Zoek de twee stukken: ik blijf thuis en ik ben ziek.
  2. Kijk wat ertussen staat.
  3. Het voegwoord is want.
Nog meer voorbeelden

Wijs het voegwoord aan: Wij wachten tot de bus komt.

  1. Zoek de twee stukken: wij wachten en de bus komt.
  2. Kijk wat ertussen staat.
  3. Het voegwoord is tot.

Wijs het voegwoord aan: Ik pak een jas, omdat het koud is.

  1. Zoek de twee stukken: ik pak een jas en het is koud.
  2. Kijk wat ertussen staat.
  3. Het voegwoord is omdat.

Let op

  • Je wijst een voorzetsel aan, omdat het ook in het midden staat.

    Kijk of er aan allebei de kanten een stuk met een eigen persoonsvorm staat. Alleen dan is het een voegwoord.

Tips

  • Bekende voegwoorden zijn en, maar, want, omdat, als en dat.

Uitzonderingen

  • Soms plakt een voegwoord alleen twee woorden aan elkaar, zoals en in Ik eet brood en kaas. Dat is ook een voegwoord.

Waarom het werkt

Een samengestelde zin bestaat uit twee stukken, elk met een eigen persoonsvorm. Het voegwoord staat ertussen en maakt er één zin van. Haal je het weg, dan houd je twee losse zinnen over.