De snelweg

Je leert wie er op de snelweg mag en hoe je de snelweg op komt.

Zo weet je wie er voorgaat

  1. Op de snelweg rijden alleen snelle auto's, bussen en vrachtwagens.
  2. Wie de snelweg op komt, voegt in.
  3. Hij laat het verkeer dat er al rijdt voorgaan.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Een auto komt over de oprit de snelweg op.

  1. Kijk naar de weg: A rijdt op de invoegstrook van de oprit.
  2. B rijdt al op de snelweg.
  3. Wie de snelweg op komt, voegt in en laat het verkeer op de snelweg voorgaan.
  4. Voeg in als er een gat is.
  5. Eerst B, dan A.
Nog meer voorbeelden

Een taxi komt de oprit af, een auto rijdt al op de snelweg.

  1. Invoegen betekent: je laat wie er al rijdt voorgaan.
  2. De taxi A komt van de invoegstrook.
  3. Eerst B, dan A.

Een fietser en een tractor op de snelweg.

  1. Een fiets en een tractor zijn te langzaam.
  2. Ze mogen niet op de snelweg.

Let op

  • Je denkt dat wie de snelweg op komt voorrang krijgt.

    Wie invoegt, wacht op het verkeer dat er al rijdt.

Tips

  • Gebruik de invoegstrook om op snelheid te komen.
  • Kijk over je schouder voordat je invoegt.

Uitzonderingen

  • Fietsers en tractoren mogen nooit op de snelweg, ook niet op de vluchtstrook.

Waarom het werkt

Op de snelweg rijdt iedereen hard. Daarom mogen er alleen snelle motorvoertuigen op. Wie de snelweg op rijdt, past zich aan: hij voegt in.