Samen fietsen

Je leert hoe je veilig met een groep fietst.

Zo weet je wie er voorgaat

  1. Fiets hoogstens met z'n tweeën naast elkaar.
  2. Geen telefoon in je hand en geen oortjes in.
  3. Houd je handen aan het stuur.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Drie kinderen fietsen naast elkaar.

  1. Tel eerst hoeveel kinderen er naast elkaar fietsen: drie.
  2. Met z'n tweeën naast elkaar mag, met z'n drieën niet.
  3. A en B mogen naast elkaar blijven.
  4. C moet erachter gaan fietsen.
Nog meer voorbeelden

Wie let er niet op het verkeer?

  1. A kijkt op zijn telefoon.
  2. C heeft oortjes in.
  3. B let goed op.

Wie doet het veilig?

  1. Kijk wat elk kind doet.
  2. A houdt zijn handen niet aan het stuur en fietst niet veilig.
  3. B draagt een hesje en een helm.
  4. C heeft iemand achterop die goed zit.
  5. B en C doen het veilig.

Let op

  • Je fietst met z'n drieën naast elkaar omdat het rustig is.

    Hoogstens twee naast elkaar, ook op een rustige weg.

Tips

  • Fiets achter elkaar als de weg smal of druk is.
  • Houd je ogen en oren bij het verkeer, niet bij je telefoon.

Waarom het werkt

Met een groep neem je veel ruimte in. Met twee naast elkaar kunnen anderen je nog voorbij. En wie op zijn telefoon kijkt of muziek hoort, merkt niet wat er gebeurt.