Zien en gezien worden

Je leert hoe je zorgt dat anderen je zien, in het donker en bij mist.

Zo weet je wie er voorgaat

  1. In het donker doe je je licht aan, voor en achter.
  2. Bij mist draag je felle kleuren of een hesje.
  3. Maak oogcontact als iemand jou voorrang moet geven.

Een voorbeeld, uitgewerkt

In het donker fietsen drie kinderen.

  1. Het is donker.
  2. Kijk bij elke fietser of de lamp aan is.
  3. A heeft licht, C heeft licht en een hesje.
  4. B heeft geen licht, dus niemand ziet hem aankomen.
  5. B is de enige die niet goed te zien is.
Nog meer voorbeelden

Bij mist fietsen twee kinderen.

  1. A heeft licht en een hesje.
  2. B heeft donkere kleren en geen licht.
  3. A doet het goed.

De zon staat laag, een auto slaat rechtsaf en er fietst een fietser.

  1. De zon staat laag.
  2. B kijkt recht in de zon en ziet de fietser A minder goed.
  3. B moet dus extra opletten.
  4. Maak als fietser oogcontact voordat je oversteekt.

Let op

  • Je doet je licht pas aan als het helemaal donker is.

    Doe je licht aan zodra het schemert, en ook bij mist of regen.

Tips

  • Draag in het donker iets lichts of iets met reflectie.
  • Maak oogcontact met de bestuurder voordat je oversteekt.

Waarom het werkt

Een bestuurder kan alleen stoppen voor wie hij ziet. In het donker en bij mist zie je weinig. Met licht en felle kleuren val je op.