Klok zetten: op de minuut
Je leert zelf de wijzers zetten op elke tijd, in stapjes van 5 minuten.
Zo reken je het uit
- Onthoud: elk getal op de klok is 5 minuten.
- Tel vanaf de 12 in stapjes van 5 tot de minuten, en zet daar de grote wijzer.
- Staat er ‘voor half’ of ‘over half’, tel dan vanaf de 6.
- Zet de kleine wijzer tussen de twee uren: hoe later, hoe dichter bij het volgende uur.
Een voorbeeld, uitgewerkt
20 over drie
- Tel vanaf de 12: 5, 10, 15, 20.
- Zet de grote wijzer op de 4.
- Zet de kleine wijzer tussen de 3 en de 4, nog dicht bij de 3.
- Het is 3:20.
Nog meer voorbeelden
10 voor vier
- Het is nog 10 minuten tot vier uur: tel vanaf de 12 terug, 5, 10.
- Zet de grote wijzer op de 10.
- Zet de kleine wijzer vlak vóór de 4.
- Het is 3:50.
5 voor half vier
- Half vier is 3:30, en 5 minuten eerder is 3:25.
- Zet de grote wijzer op de 5, want 5 × 5 = 25.
- Zet de kleine wijzer tussen de 3 en de 4.
- Het is 3:25.
Let op
Je zoekt het aantal minuten op de klok: bij 20 over zoek je de 20.
Er staat geen 20 op de klok. Deel door 5: 20 : 5 = 4, dus de grote wijzer op de 4.
Je leest ‘5 voor half vier’ als 5 voor vier.
Voor half gaat over het halve uur. Tel vanaf de 6 terug: de grote wijzer komt op de 5.
Tips
- Na de 6 tel je door: 35 minuten is de 7.
Waarom het werkt
Tussen twee getallen op de klok zitten 5 minuten. Tel je vanaf de 12 in stapjes van 5, dan kom je vanzelf op de goede plek. Bij voor half en over half reken je vanaf de 6, want half is 30 minuten.