Kalender- en tijdwoorden
Je leert dat dagen, maanden en seizoenen in het Nederlands met een kleine letter beginnen.
Zo schrijf je het
- Dagen, maanden en seizoenen schrijf je met een kleine letter.
- Let op vaste klanken zoals -dag en -uari.
Een voorbeeld, uitgewerkt
De eerste maand van het nieuwe kalenderjaar is altijd ___. (januari)
- Het woord is januari.
- In het Nederlands schrijf je maanden met een kleine letter.
- Let op de uitgang: je schrijft j-a-n-u-a-r-i.
- Je schrijft januari.
Nog meer voorbeelden
Midden in de schoolweek hebben we op ___ middag vrij. (woensdag)
- Het is een dag van de week: woensdag.
- Dagen beginnen met een kleine letter.
- Je schrijft woensdag.
In de gure ___ vallen de gekleurde bladeren van de bomen. (herfst)
- Herfst is een seizoen.
- Seizoenen schrijf je met een kleine letter.
- Je schrijft herfst.
Zelf proberen
kalenderwoord met kleine letter
Aan het einde van de werkweek luidt de schoolbel het naderende in op de feestelijke en ontspannen namiddag van de ___.
kalenderwoord met kleine letter
de hun oogst binnenhalen en de merkbaar korter en koeler worden spreken we van het intredende herfstige ___.
Let op
Je schrijft Januari of Woensdag met een hoofdletter zoals in het Engels.
In het Nederlands krijgen dagen en maanden alleen een kleine letter, behalve aan het begin van een zin.
Tips
- Onthoud dat alleen feestdagen zoals Kerstmis een hoofdletter krijgen, maar gewone dagen en maanden nooit.
Waarom het werkt
In het Nederlands schrijf je dagen, maanden en seizoenen met een kleine letter. Alleen aan het begin van een zin krijgt een dag of maand een hoofdletter. Let ook op vaste uitgangen zoals -dag en -uari.