Aai, ooi of oei?

Je leert woorden met aai, ooi en oei schrijven: luister welke klank er voor de i komt.

Zo schrijf je het

  1. Zeg het woord langzaam.
  2. Hoor je aa, oo of oe? Schrijf die twee letters op.
  3. Zet er altijd een i achter.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Het is een vis met scherpe tanden: een ___. (aa, oo of oe?)

  1. Zeg het woord langzaam: h-aa-i.
  2. Je hoort eerst een lange klank, en dan een i.
  3. De lange klank is aa, dus schrijf je twee a’s.
  4. Zet er een i achter: haai.
Nog meer voorbeelden

We trekken samen aan de riemen: we gaan ___. (aa, oo of oe?)

  1. Zeg het woord langzaam.
  2. Je hoort oe.
  3. Schrijf oe, en zet er een i achter: roeien.

Wat een ___ jurk! (aa, oo of oe?)

  1. Zeg het woord langzaam.
  2. Je hoort oo.
  3. Schrijf oo, en zet er een i achter: mooi.

Zelf proberen

  1. aai, ooi of oei?

    De meester riep luid ___ toen de kwajongens uithaalden.

  2. aai, ooi of oei?

    Het vlees van de stoofpot was koken niet ___.

Let op

  • Je schrijft maar één letter voor de lange klank, zoals hai in plaats van haai.

    Voor de i staat altijd een klank van twee letters: aa, oo of oe.

Tips

  • Schrijf eerst de lange klank en zet daarna pas de i erachter.

Waarom het werkt

In haai, mooi en groei hoor je eerst een lange klank en dan een i. Die lange klank schrijf je met twee letters, en daar komt de i gewoon achter. Zo heb je altijd drie letters.