De overweg

Je leert dat de trein bij een overweg altijd voorgaat.

Zo weet je wie er voorgaat

  1. Hoor je de bel of knipperen de rode lichten? Stop voor de witte streep.
  2. Wacht tot de lichten uit zijn, ook als de bomen al omhoog gaan.

Een voorbeeld, uitgewerkt

De bomen zijn dicht en de lichten knipperen.

  1. Kijk eerst naar de bomen en de lichten: de bomen zijn dicht en de rode lichten knipperen.
  2. Dan komt er een trein aan.
  3. Stop voor de witte streep.
  4. Wacht tot de trein voorbij is en de lichten uit zijn.
  5. Eerst de trein B, dan A en C.
Nog meer voorbeelden

Er komt een ambulance met zwaailicht aan.

  1. Ook een ambulance wacht op de trein.
  2. Eerst de trein, dan de ambulance.

De overweg heeft geen bomen, maar de lichten knipperen.

  1. Er zijn geen bomen, maar de rode lichten knipperen.
  2. Dat betekent: er komt een trein.
  3. De fietser stopt voor de streep en wacht.
  4. Eerst B, dan A.

Let op

  • Je fietst al als de bomen omhoog gaan.

    Soms komt er nog een tweede trein. Wacht tot de lichten uit zijn en de bel stil is.

Tips

  • Ga nooit om de bomen heen, ook niet met je fiets aan de hand.
  • Zie je geen bomen? Let dan extra goed op de lichten en het geluid.

Uitzonderingen

  • Heeft de overweg geen bomen en geen lichten, dan gaat de trein ook voor: kijk dan zelf goed naar beide kanten.

Waarom het werkt

Een trein is zwaar en rijdt hard. Hij kan niet uitwijken en staat pas na honderden meters stil. Daarom wacht iedereen, ook een ambulance.