Verkeerslichten
Je leert dat bij verkeerslichten het licht beslist wie er mag.
Zo weet je wie er voorgaat
- Staan er verkeerslichten, kijk dan naar je eigen licht.
- Bij groen mag je, bij oranje stop je als het kan, bij rood stop je.
- Hebben twee groen, dan gelden de gewone regels.
Een voorbeeld, uitgewerkt
A heeft groen, B van rechts heeft rood.
- Kijk eerst naar je eigen licht: A heeft groen, B heeft rood.
- Het licht gaat voor rechts gaat voor.
- B komt van rechts, maar moet toch wachten.
- A rijdt door.
- Eerst A, dan B.
Nog meer voorbeelden
A en B hebben allebei groen.
- Allebei groen: dan gelden de gewone regels.
- B gaat rechtdoor en A slaat af.
- Eerst B.
De fietser heeft groen en rijdt rechtdoor, de auto heeft rood en wil rechtsaf.
- Kijk naar je eigen licht: B heeft rood.
- Rood betekent stop, ook als je rechtsaf wilt.
- De fietser A heeft groen en rijdt door.
- B wacht.
Let op
Je gaat bij groen meteen, ook als je linksaf slaat voor iemand die rechtdoor komt.
Groen betekent: je mag rijden. Wie rechtdoor komt, gaat nog steeds voor.
Tips
- Kijk naar het licht van jouw kant, niet naar dat van een ander.
- Bij oranje stop je, tenzij je al zo dicht bij de streep bent dat je niet meer veilig kunt stoppen.
- Ook met groen kijk je of de weg vrij is.
Uitzonderingen
- Zijn de lichten uit, dan gelden weer de borden en de gewone regels.
- Een voertuig met zwaailicht en sirene gaat voor, ook bij rood.
Waarom het werkt
Lichten staan op drukke kruispunten. Ze laten om de beurt een kant gaan. Hebben twee weggebruikers tegelijk groen, dan gelden de gewone regels weer.