Hun, hen of zij?
Je leert kiezen tussen zij, hun en hen: kijk wat de groep in de zin doet.
Zo doe je de proef
- Kijk wat de groep in de zin doet.
- Doet de groep zelf iets? Schrijf zij.
- Krijgt de groep iets? Schrijf hun.
- Staat er een voorzetsel voor, zoals met of op? Schrijf hen.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Ik geef ___ een cadeau.
- Kijk wat de groep doet: de groep krijgt een cadeau.
- Wie iets krijgt, is hun.
- Je schrijft hun.
Nog meer voorbeelden
Wij gaan met ___ naar het strand.
- Kijk wat er voor het gat staat: met.
- Dat is een voorzetsel.
- Je schrijft hen.
___ hebben de wedstrijd gewonnen.
- Kijk wat de groep doet: de groep heeft zelf gewonnen.
- Je schrijft zij.
Zelf proberen
Vul in: hun, hen of zij?
Ik op ___ bij de .
Vul in: hun, hen of zij?
___ hebben de gewonnen.
Let op
Je schrijft hun hebben gewonnen.
De groep doet het zelf, dus dat is zij: zij hebben gewonnen.
Tips
- Hen is nooit het onderwerp en staat dus niet vooraan als de groep zelf iets doet.
Waarom het werkt
Zij gebruik je als de groep zelf iets doet. Hun als de groep iets krijgt. Hen na een voorzetsel, zoals met of op. Door te kijken wat de groep doet, weet je welk woord past.