Die of dat?

Je leert kiezen tussen die en dat: die bij een de-woord, dat bij een het-woord.

Zo doe je de proef

  1. Kijk naar het zelfstandig naamwoord vlak voor het gat.
  2. Zeg er de of het voor.
  3. Is het een de-woord, schrijf dan die.
  4. Is het een het-woord, schrijf dan dat.
Die of dat?
De-woorden: diede hond die blaftde bal die rolt
Het-woorden: dathet paard dat renthet boek dat ik lees

Een voorbeeld, uitgewerkt

Het boek ___ ik las was spannend.

  1. Kijk naar het woord voor het gat: boek.
  2. Je zegt het boek: een het-woord.
  3. Je schrijft dat.
Nog meer voorbeelden

De jas ___ jij draagt is warm.

  1. Kijk naar het woord voor het gat: jas.
  2. Je zegt de jas: een de-woord.
  3. Je schrijft die.

Het meisje ___ naast mij zit heet Noor.

  1. Kijk naar het woord voor het gat: meisje.
  2. Je zegt het meisje: een het-woord.
  3. Je schrijft dat.

Zelf proberen

  1. Vul in: die of dat?

    Het ___ in de loopt is bruin.

  2. Vul in: die of dat?

    Het huis ___ daar staat is .

Let op

  • Je schrijft die bij een het-woord, zoals het meisje die naast mij zit.

    Zeg het meisje: dat is een het-woord, dus het meisje dat naast mij zit.

Tips

  • Staat het woord in het meervoud, zoals de honden, dan schrijf je altijd die.

Waarom het werkt

Die en dat verwijzen terug naar het woord ervoor. Een de-woord krijgt die, een het-woord krijgt dat. Zeg dus eerst de of het voor dat woord, en je weet welke je nodig hebt.