Die of dat?
Je leert kiezen tussen die en dat: die bij een de-woord, dat bij een het-woord.
Zo doe je de proef
- Kijk naar het zelfstandig naamwoord vlak voor het gat.
- Zeg er de of het voor.
- Is het een de-woord, schrijf dan die.
- Is het een het-woord, schrijf dan dat.
Die of dat?
De-woorden: diede hond die blaftde bal die rolt
Het-woorden: dathet paard dat renthet boek dat ik lees
Een voorbeeld, uitgewerkt
Het boek ___ ik las was spannend.
- Kijk naar het woord voor het gat: boek.
- Je zegt het boek: een het-woord.
- Je schrijft dat.
Nog meer voorbeelden
De jas ___ jij draagt is warm.
- Kijk naar het woord voor het gat: jas.
- Je zegt de jas: een de-woord.
- Je schrijft die.
Het meisje ___ naast mij zit heet Noor.
- Kijk naar het woord voor het gat: meisje.
- Je zegt het meisje: een het-woord.
- Je schrijft dat.
Zelf proberen
Vul in: die of dat?
Het ___ in de loopt is bruin.
Vul in: die of dat?
Het huis ___ daar staat is .
Let op
Je schrijft die bij een het-woord, zoals het meisje die naast mij zit.
Zeg het meisje: dat is een het-woord, dus het meisje dat naast mij zit.
Tips
- Staat het woord in het meervoud, zoals de honden, dan schrijf je altijd die.
Waarom het werkt
Die en dat verwijzen terug naar het woord ervoor. Een de-woord krijgt die, een het-woord krijgt dat. Zeg dus eerst de of het voor dat woord, en je weet welke je nodig hebt.