Vaste voorzetsels bij werkwoorden

Je leert vaste voorzetsels bij werkwoorden herkennen: voorzetsels die onlosmakelijk bij een specifiek werkwoord horen.

Zo doe je de proef

  1. Veel werkwoorden vormen een vaste combinatie met een voorzetsel.
  2. Denk aan twijfelen aan, houden van of rekenen op.
  3. Het voorzetsel hoort vast bij de betekenis van het werkwoord.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het vaste voorzetsel aan: Ik wacht op de bus.

  1. Zoek het werkwoord: wachten.
  2. Vraag welk voorzetsel er vast bij hoort: wachten op.
  3. Het vaste voorzetsel is op.
Nog meer voorbeelden

Wijs het vaste voorzetsel aan: Zij gelooft in wonderen.

  1. Kijk naar het werkwoord geloven.
  2. De vaste uitdrukking is geloven in.
  3. Het vaste voorzetsel is in.

Wijs het vaste voorzetsel aan: Wij luisteren naar mooie muziek.

  1. Zoek het werkwoord: luisteren.
  2. Vraag welk voorzetsel erbij hoort: luisteren naar.
  3. Het vaste voorzetsel is naar.

Let op

  • Je denkt dat het voorzetsel een plaats aanwijst zoals in de kast.

    Bij een vast voorzetsel hoort het woordje bij de betekenis van het werkwoord (rekenen op) en niet bij een fysieke plek.

Tips

  • Probeer het hele werkwoord met het voorzetsel te onthouden: houden van, denken aan, wachten op.

Waarom het werkt

Veel werkwoorden hebben een vast voorzetsel dat de betekenis bepaalt. Je twijfelt aan iets, je verheugt je op iets en je rekent op iemand. Dit voorzetsel geeft geen plek aan, maar vormt een eenheid met het werkwoord.