De persoonsvorm

Je leert de persoonsvorm vinden met de vraagproef, de getalsproef of de tijdproef.

Zo doe je de proef

  1. Doe de vraagproef: maak van de zin een vraag en kijk welk werkwoord vooraan springt.
  2. Of doe de getalsproef: maak het onderwerp meervoud en kijk welk werkwoord meeverandert.
  3. Of doe de tijdproef: zet de zin in de verleden tijd en kijk welk werkwoord verandert.
  4. Dat werkwoord is de persoonsvorm.
Zinsontleding
De snelle hondonderwerp
vangtpersoonsvorm
de rode ballijdend voorwerp
in de tuinbepaling

Maak er een vraag van: het woord dat vooraan komt is de persoonsvorm.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs de persoonsvorm aan: De hond heeft hard geblaft.

  1. Maak er een vraag van: Heeft de hond hard geblaft? Dan zie je welk werkwoord vooraan springt.
  2. Heeft springt naar voren.
  3. De persoonsvorm is heeft.
Nog meer voorbeelden

Wijs de persoonsvorm aan: Het meisje kan al zwemmen.

  1. Maak het onderwerp meervoud: de meisjes kunnen al zwemmen.
  2. Kan verandert in kunnen.
  3. De persoonsvorm is kan.

Wijs de persoonsvorm aan: Mijn oom gaat morgen verhuizen.

  1. Zet de zin in de verleden tijd: mijn oom ging verhuizen.
  2. Gaat verandert in ging.
  3. De persoonsvorm is gaat.

Let op

  • Je wijst het werkwoord achteraan aan, zoals geblaft.

    Maak er een vraag van. Het werkwoord achteraan blijft staan; de persoonsvorm springt naar voren.

Tips

  • Twijfel je? Doe een tweede proef: geven twee proeven hetzelfde woord, dan weet je het zeker.

Waarom het werkt

De persoonsvorm is het werkwoord dat meebuigt met wie het doet en wanneer. Daarom verandert hij als je de zin een vraag maakt, meervoud maakt of in een andere tijd zet. Eén proef is genoeg; kies de proef die bij jouw zin het makkelijkst gaat.