Het werkwoord in tweeën

Je leert een werkwoord vinden dat in twee stukken uit elkaar staat, zoals doe … open.

Zo doe je de proef

  1. Zoek de persoonsvorm: dat is het eerste stuk.
  2. Kijk helemaal achteraan naar een los woordje, zoals op, uit, aan of af.
  3. Plak de twee stukken aan elkaar: dan heb je het hele werkwoord.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs allebei de stukken van het werkwoord aan: Ik doe de deur open.

  1. Zoek de persoonsvorm: doe.
  2. Kijk helemaal achteraan: open.
  3. Plak ze aan elkaar: opendoen.
  4. De stukken zijn doe en open.
Nog meer voorbeelden

Wijs allebei de stukken van het werkwoord aan: Wij zetten de televisie af.

  1. Zoek de persoonsvorm: zetten.
  2. Kijk helemaal achteraan: af.
  3. Plak ze aan elkaar: afzetten.
  4. De stukken zijn zetten en af.

Wijs allebei de stukken van het werkwoord aan: Zij belt haar oma op.

  1. Zoek de persoonsvorm: belt.
  2. Kijk helemaal achteraan: op.
  3. Plak ze aan elkaar: opbellen.
  4. De stukken zijn belt en op.

Let op

  • Je wijst alleen het eerste stuk aan.

    Zeg het hele werkwoord hardop: opbellen, uitpakken. Het stukje vooraan in dat woord staat achteraan in de zin.

Tips

  • Het stukje dat achteraan staat, staat in het hele werkwoord vooraan: uitpakken, afzetten.

Uitzonderingen

  • Staat het werkwoord achteraan in de zin, dan blijft het heel: Ik wil de deur opendoen.

Waarom het werkt

Sommige werkwoorden vallen in de zin uit elkaar: opendoen wordt ik doe de deur open. Het eerste stuk is de persoonsvorm, het tweede staat helemaal achteraan. Plak je ze weer aan elkaar, dan zie je dat ze bij elkaar horen.