Het hulpwerkwoord
Je leert het hulpwerkwoord vinden: het werkwoord dat helpt om de tijd of betekenis van het gezegde te vormen.
Zo doe je de proef
- Zoek alle werkwoorden in het gezegde.
- Het zelfstandig werkwoord noemt de actie.
- Het andere werkwoord helpt en is het hulpwerkwoord.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Wijs het hulpwerkwoord aan: Lisa heeft een appel gegeten.
- Zoek alle werkwoorden: heeft en gegeten.
- Gegeten is de echte handeling: dat is het zelfstandig werkwoord.
- Het werkwoord dat helpt is heeft.
Nog meer voorbeelden
Wijs het hulpwerkwoord aan: Wij willen morgen naar het bos gaan.
- Zoek de werkwoorden: willen en gaan.
- Gaan is de hoofdhandeling.
- Het hulpwerkwoord is willen.
Wijs het hulpwerkwoord aan: Het pakket werd gisteren bezorgd.
- Zoek de werkwoorden: werd en bezorgd.
- Bezorgd noemt de daad.
- Het hulpwerkwoord is werd.
Let op
Je wijst het zelfstandig werkwoord aan, zoals gegeten in heeft gegeten.
Vraag je af: welk woord noemt de echte actie (eten)? Dat is zelfstandig. Het andere woordje (heeft) is het hulpwerkwoord.
Tips
- Hulpwerkwoorden zijn vaak vormen van hebben, zijn, worden, zullen, kunnen, moeten, mogen of willen.
Waarom het werkt
In een zin met meer werkwoorden noemt er maar één de echte actie. De andere werkwoorden helpen om de tijd of bedoeling te maken. Zo zie je of iets al gebeurd is of moet gebeuren.