De komma
Je leert waar een komma komt: waar het ene stuk zin ophoudt, en tussen de delen van een rijtje.
Zo doe je de proef
- Zoek de persoonsvormen: elke persoonsvorm hoort bij een eigen stuk zin.
- Zet de komma waar het ene stuk ophoudt, vaak vlak voor maar of want.
- Zet in een rijtje een komma tussen de delen, niet voor het laatste en.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Wijs het woord aan waar de komma achter moet: Ik wilde meegaan maar ik had geen tijd.
- Zoek de persoonsvormen: wilde en had.
- Het tweede stuk begint met maar.
- De komma komt achter meegaan.
Nog meer voorbeelden
Wijs het woord aan waar de komma achter moet: Wij kochten appels peren en bananen.
- Zoek het rijtje: appels, peren en bananen.
- Tussen peren en bananen staat al en.
- De komma komt achter appels.
Wijs het woord aan waar de komma achter moet: Ik fiets naar school maar mijn zus loopt.
- Zoek de persoonsvormen: fiets en loopt.
- Het tweede stuk begint met maar.
- De komma komt achter school.
Let op
Je zet een komma voor het laatste en in een rijtje.
En scheidt de laatste twee delen al. De komma komt alleen tussen de andere delen.
Tips
- Staat er maar of want tussen twee stukken met een eigen persoonsvorm, dan komt de komma er vlak voor.
Uitzonderingen
- Staan twee korte stukken met en aan elkaar, zoals in Ik lees en jij tekent, dan hoeft er meestal geen komma.
Waarom het werkt
Een komma is een kort rustpunt. Hij scheidt twee stukken zin die elk een eigen persoonsvorm hebben, en de delen van een rijtje. Voor het laatste en in een rijtje komt geen komma, want en scheidt de laatste twee al.