Haakjes
Je leert welk stuk tussen haakjes mag: iets extra dat je ook kunt weglaten.
Zo doe je de proef
- Zoek een stukje dat iets extra vertelt over wat al in de zin staat.
- Haal het in gedachten weg.
- Blijft er een hele zin over die nog klopt? Dan mag het tussen haakjes.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Wijs de extra informatie aan: Mijn broer hij is twaalf zit in groep acht.
- Zoek het stukje dat iets extra vertelt: hij is twaalf.
- Haal het weg: mijn broer zit in groep acht.
- Dat klopt, dus: (hij is twaalf).
Nog meer voorbeelden
Wijs de extra informatie aan: Het konijn een wit beestje sprong snel weg.
- Zoek het stukje dat iets extra vertelt: een wit beestje.
- Haal het weg: het konijn sprong snel weg.
- Dat klopt, dus: (een wit beestje).
Wijs de extra informatie aan: Opa woont in Zwolle een stad in Overijssel.
- Zoek het stukje dat iets extra vertelt: een stad in Overijssel.
- Haal het weg: opa woont in Zwolle.
- Dat klopt, dus: (een stad in Overijssel).
Let op
Je zet een stuk tussen haakjes dat de zin nodig heeft.
Lees de zin zonder dat stuk. Klopt hij niet meer, dan hoort het er gewoon bij.
Tips
- Je kunt extra informatie ook tussen komma's zetten. Haakjes laten het stuk wat meer opzij staan.
Waarom het werkt
Tussen haakjes zet je extra uitleg die niet echt nodig is. De proef is simpel: haal het stuk weg. Blijft er een hele zin over die nog klopt, dan was het extra en mag het tussen haakjes.