De viersprong: breuk, decimaal en procent
Je leert één deel op vier manieren schrijven: als verhouding, breuk, kommagetal en procent.
Zo reken je het uit
- 1 op de 4 is als breuk 14.
- In honderdsten is dat 25100, dus kommagetal 0,25 en 25%.
- Ze betekenen allemaal hetzelfde deel.
Verhouding1 op 4
Breuk14
Kommagetal0,25
Percentage25%
Een voorbeeld, uitgewerkt
1 op de 4
- Schrijf de verhouding als breuk: 14.
- Reken 4 × 25 = 100, dus 14 is 25100.
- Schrijf honderdsten als kommagetal: 0,25.
- Schrijf het als procent: 25%.
Nog meer voorbeelden
3 op de 10
- Schrijf de verhouding als breuk: 310.
- Reken 3 × 10 = 30 en 10 × 10 = 100.
- Dus 310 is 30100.
- Dat is 0,3 en 30%.
Verhouding3 op 10
Breuk310
Kommagetal0,3
Percentage30%
7 op de 20
- Schrijf de verhouding als breuk: 720.
- Reken 20 × 5 = 100 en 7 × 5 = 35.
- Dus 720 is 35100.
- Dat is 0,35 en 35%.
Verhouding7 op 20
Breuk720
Kommagetal0,35
Percentage35%
Let op
Je schrijft 14 als 0,4 of als 4%.
Maak eerst honderdsten: 14 is 25100. Dan lees je het af: 0,25 en 25%.
Je maakt honderdsten door boven en onder iets op te tellen: 14 wordt 97100.
Vermenigvuldig boven en onder met hetzelfde getal. Zo blijft de breuk even groot.
Tips
- Procent betekent per honderd: 25% is 25 van de 100.
Waarom het werkt
Eén op de vier, een kwart, 0,25 en 25% zijn allemaal hetzelfde deel. Maak je er honderdsten van, dan lees je het kommagetal en het procent er meteen af. Het is vier keer dezelfde hoeveelheid, in vier verschillende schrijfwijzen.