Het meewerkend voorwerp

Je leert het meewerkend voorwerp vinden met de vraag: aan wie of voor wie gebeurt het?

Zo doe je de proef

  1. Zoek eerst de persoonsvorm en het onderwerp.
  2. Vraag: aan wie of voor wie gebeurt het? Zet er aan of voor bij en kijk of de zin nog klopt.
  3. Dat stuk is het meewerkend voorwerp.
Zinsontleding
De snelle hondonderwerp
vangtpersoonsvorm
de rode ballijdend voorwerp
in de tuinbepaling

Eerst de persoonsvorm, dan het onderwerp, dan de rest.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het meewerkend voorwerp aan: Ik geef mijn zus een cadeau.

  1. Vraag: aan wie geef ik het cadeau? Zet er aan bij: ik geef een cadeau aan mijn zus.
  2. Dat klopt.
  3. Het meewerkend voorwerp is mijn zus.
Nog meer voorbeelden

Wijs het meewerkend voorwerp aan: Papa kookt ons een lekkere soep.

  1. Vraag: voor wie kookt papa de soep? Zet er voor bij: papa kookt een soep voor ons.
  2. Dat klopt.
  3. Het meewerkend voorwerp is ons.

Wijs het meewerkend voorwerp aan: De juf vertelt de klas een verhaal.

  1. Vraag: aan wie vertelt de juf het verhaal? Zet er aan bij: de juf vertelt een verhaal aan de klas.
  2. Dat klopt.
  3. Het meewerkend voorwerp is de klas.

Let op

  • Je wijst het lijdend voorwerp aan, bijvoorbeeld een cadeau.

    Het cadeau is wat je geeft. Vraag aan wie je het geeft: dat is het meewerkend voorwerp.

Tips

  • Het meewerkend voorwerp staat vaak vlak voor het lijdend voorwerp: ik geef mijn zus een cadeau.

Waarom het werkt

Het meewerkend voorwerp is wie iets krijgt of voor wie iets gedaan wordt. Je kunt er meestal aan of voor bij zetten zonder dat de zin gek wordt. Dat is de proef: past aan of voor, dan heb je het.