Het onderwerp

Je leert het onderwerp vinden met de vraag: wie of wat + persoonsvorm?

Zo doe je de proef

  1. Zoek eerst de persoonsvorm met de vraagproef.
  2. Vraag dan: wie of wat + die persoonsvorm? Het antwoord is het onderwerp.
  3. Wijs het hele stuk aan, niet alleen het laatste woord.
Zinsontleding
De snelle hondonderwerp
vangtpersoonsvorm
de rode ballijdend voorwerp
in de tuinbepaling

Vraag: wie of wat, plus de persoonsvorm?

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het onderwerp aan: Mijn kleine zusje huilt.

  1. Zoek de persoonsvorm: huilt.
  2. Vraag: wie huilt? Het antwoord is mijn kleine zusje.
  3. Dus het onderwerp is mijn kleine zusje.
Nog meer voorbeelden

Wijs het onderwerp aan: Vandaag komt de meester later.

  1. Zoek de persoonsvorm: komt.
  2. Vraag: wie komt? Vandaag zegt wanneer, niet wie.
  3. Het onderwerp is de meester.

Wijs het onderwerp aan: De hond van de buren blaft.

  1. Zoek de persoonsvorm: blaft.
  2. Vraag: wie blaft? Niet alleen de hond, maar de hond van de buren.
  3. Dat hele stuk is het onderwerp.

Let op

  • Je wijst het eerste stuk van de zin aan, ook als dat zegt wanneer of waar.

    Het onderwerp staat niet altijd vooraan. Stel de vraag wie of wat + persoonsvorm, en wijs het antwoord aan.

  • Je wijst alleen hond aan in de hond van de buren.

    Het antwoord op de vraag is het hele stuk. Wijs alles aan wat je zegt als antwoord.

Tips

  • Het onderwerp staat niet altijd vooraan: in Vandaag komt de meester staat het achter de persoonsvorm.

Uitzonderingen

  • In Het regent is het onderwerp het, ook al is het geen persoon of ding.

Waarom het werkt

Het onderwerp is wie of wat iets doet. Door de persoonsvorm in de vraag te zetten, vraag je precies naar wie het doet. Het antwoord is vaak een heel stuk, en dat hele stuk is het onderwerp.