Wanneer en waar? De bepalingen

Je leert de bepaling van tijd en de bepaling van plaats vinden met de vragen wanneer en waar.

Zo doe je de proef

  1. Zoek de persoonsvorm en het onderwerp.
  2. Vraag: wanneer + persoonsvorm + onderwerp? Het antwoord is de bepaling van tijd.
  3. Vraag: waar + persoonsvorm + onderwerp? Het antwoord is de bepaling van plaats.
  4. Wijs steeds het hele stuk aan.
Zinsontleding
De snelle hondonderwerp
vangtpersoonsvorm
de rode ballijdend voorwerp
in de tuinbepaling

Vraag: wanneer?

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs de bepaling van tijd en de bepaling van plaats aan: Morgen spelen wij in de tuin.

  1. Zoek de persoonsvorm: spelen.
  2. Zoek het onderwerp: wij.
  3. Vraag: wanneer spelen wij? De bepaling van tijd is morgen.
  4. Vraag: waar spelen wij? De bepaling van plaats is in de tuin.
Nog meer voorbeelden

Wijs de bepaling van tijd aan: Na het eten doen wij een spel.

  1. Zoek de persoonsvorm: doen.
  2. Vraag: wanneer doen wij een spel? De bepaling van tijd is na het eten.

Wijs de bepaling van plaats aan: De kat slaapt op de bank.

  1. Zoek de persoonsvorm: slaapt.
  2. Vraag: waar slaapt de kat? De bepaling van plaats is op de bank.

Wijs de bepaling van plaats aan: Achter het huis staat een schuur.

  1. Zoek de persoonsvorm: staat.
  2. Vraag: waar staat de schuur? De bepaling van plaats is achter het huis.

Let op

  • Je wijst alleen het eten aan in na het eten.

    Wijs alles aan wat antwoord geeft op wanneer: na het eten is één stuk.

  • Je wijst het onderwerp aan als de bepaling vooraan staat, zoals in achter het huis staat een schuur.

    Vraag waar. Het antwoord is achter het huis; een schuur is wat er staat, en dat is het onderwerp.

Tips

  • Een stuk met een voorzetsel kan plaats of tijd zijn: op de bank is plaats, na het eten is tijd. De vraag beslist.

Waarom het werkt

De bepaling van tijd zegt wanneer iets gebeurt: morgen, om zes uur, na het eten. De bepaling van plaats zegt waar iets gebeurt en begint bijna altijd met een voorzetsel, zoals in, op of onder. Allebei kunnen ze vooraan of achteraan staan. Met de vraag wanneer of waar vind je ze op elke plek.