Elk zinsdeel benoemen
Je leert een hele zin ontleden: eerst de persoonsvorm en het onderwerp, dan de voorwerpen en de bepalingen.
Zo doe je de proef
- Zoek de persoonsvorm met de vraagproef, en het onderwerp met wie of wat + persoonsvorm.
- Zet de andere werkwoorden samen: dat is de rest van het gezegde.
- Vraag: wat + gezegde + onderwerp? Dat is het lijdend voorwerp.
- Vraag tot slot: aan wie, wanneer en waar? Dat zijn mv, bt en bp.
Zinsontleding
De snelle hondonderwerp
vangtpersoonsvorm
de rode ballijdend voorwerp
in de tuinbepaling
Eerst de persoonsvorm, dan het onderwerp, dan de rest.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Benoem elk zinsdeel: Mijn broer leest een strip.
- Maak er een vraag van: Leest mijn broer een strip? Leest is pv.
- Vraag: wie leest? Mijn broer is ow.
- Vraag: wat leest mijn broer? Een strip is lv.
Nog meer voorbeelden
Benoem elk zinsdeel: Oma stuurt mij een kaart.
- Stuurt is pv en oma is ow.
- Vraag: wat stuurt oma? Een kaart is lv.
- Vraag: aan wie? Mij is mv.
Benoem elk zinsdeel: Morgen gaan wij naar zee.
- Gaan is pv en wij is ow.
- Vraag: wanneer? Morgen is bt.
- Vraag: waar? Naar zee is bp.
Let op
Je begint met het lijdend voorwerp, voordat je het onderwerp hebt.
Houd de volgorde aan: persoonsvorm, onderwerp, gezegde, en dan pas de rest.
Tips
- Houd de volgorde aan: persoonsvorm, onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, tijd en plaats.
Waarom het werkt
Ontleden is een rij proeven op volgorde. Elke proef gebruikt wat je al gevonden hebt: het onderwerp vind je met de persoonsvorm, het lijdend voorwerp met allebei. Wie de volgorde aanhoudt, hoeft niet te gokken.