Cijferend keer met grote getallen

Je leert grote getallen met elkaar vermenigvuldigen, met een regel voor elk cijfer.

Zo reken je het uit

  1. Zet het kleinste getal onder het grootste.
  2. Maak voor elk cijfer van het onderste getal een regel.
  3. Regel 1 is keer de eenheid, regel 2 begint met één 0, regel 3 met twee nullen.
  4. Tel alle regels bij elkaar op.
124
×23
372
+2480
2852

Een voorbeeld, uitgewerkt

124 × 23

  1. Regel 1: 3 × 124 = 372.
  2. Regel 2 begint met een 0: 20 × 124 = 2.480.
  3. Tel de regels op: 372 + 2.480 = 2.852.
Nog meer voorbeelden

465 × 32

  1. Regel 1: 2 × 465 = 930.
  2. Regel 2 begint met een 0: 30 × 465 = 13.950.
  3. Tel de regels op: 930 + 13.950 = 14.880.
465
×32
930
+13950
14880

213 × 121

  1. Regel 1: 1 × 213 = 213.
  2. Regel 2 begint met een 0: 20 × 213 = 4.260.
  3. Regel 3 begint met twee nullen: 100 × 213 = 21.300.
  4. Tel op: 213 + 4.260 + 21.300 = 25.773.
213
×121
213
4260
+21300
25773

Let op

  • Je begint de regels zonder nullen, zodat ze te ver naar rechts staan.

    Tel bij welk cijfer je bent: het tweede krijgt één 0, het derde twee nullen.

Tips

  • Regel 2 begint met 1 nul, regel 3 met 2 nullen.
  • Schat vooraf: 124 × 23 is ongeveer 120 × 20, dus rond de 2.400.

Waarom het werkt

Elk cijfer van het onderste getal geeft een eigen regel. Het tiental is tien keer zoveel waard, dus die regel begint met een 0. Het honderdtal is honderd keer zoveel, dus die regel begint met twee nullen. Zo staat alles op de goede plek.