Cijferend aftrekken

Je leert grote getallen aftrekken onder elkaar, en lenen als een kolom niet kan.

Zo reken je het uit

  1. Zet de getallen onder elkaar: eenheden onder eenheden.
  2. Begin rechts en haal in elke kolom het onderste cijfer van het bovenste af.
  3. Kan dat niet, leen dan 10 van de kolom links: dat cijfer wordt 1 minder.
  4. Tel je antwoord op bij het onderste getal: dan moet het bovenste eruit komen.
115
425
−218
207

Een voorbeeld, uitgewerkt

425 − 218

  1. Eenheden: 5 − 8 kan niet, leen 10: 15 − 8 = 7.
  2. Tientallen: de 2 is 1 geworden, 1 − 1 = 0.
  3. Honderdtallen: 4 − 2 = 2.
  4. Het antwoord is 207.
Nog meer voorbeelden

812 − 347

  1. Eenheden: 2 − 7 kan niet, leen 10: 12 − 7 = 5.
  2. Tientallen: de 1 is 0 geworden, 0 − 4 kan niet, leen 10: 10 − 4 = 6.
  3. Honderdtallen: de 8 is 7 geworden, 7 − 3 = 4.
  4. Het antwoord is 465.
71012
812
−347
465

500 − 263

  1. De 0 bij de tientallen kan niets uitlenen, dus leen van de 5: die wordt 4, de tientallen worden 9 en de eenheden 10.
  2. Eenheden: 10 − 3 = 7.
  3. Tientallen: 9 − 6 = 3.
  4. Honderdtallen: 4 − 2 = 2.
  5. Het antwoord is 237.
4910
500
−263
237

Let op

  • Je haalt het kleinste cijfer van het grootste af: bij 425 − 218 doe je 8 − 5 en schrijf je 213.

    Het onderste cijfer gaat altijd van het bovenste af. Kan dat niet, leen dan.

  • Je leent wel, maar maakt de kolom links niet kleiner: bij 425 − 218 schrijf je 217.

    Streep het cijfer waar je van leent door, en schrijf er één minder boven.

Tips

  • Controleer met plus: 207 + 218 = 425.
  • Kijk eerst of het bovenste cijfer groot genoeg is, voordat je gaat aftrekken.

Uitzonderingen

  • Staat er een 0 boven, zoals bij 500 − 263, dan kun je er niets van lenen en leen je eerst van het volgende cijfer.

Waarom het werkt

Onder elkaar trek je steeds kleine getallen af. Soms is het bovenste cijfer te klein, zoals bij 5 − 8. Dan leen je 10 van de kolom links: die wordt 1 minder, en jouw cijfer wordt 10 meer. Het getal blijft precies even groot.