Cijferend vermenigvuldigen
Je leert een getal keer een getal van twee cijfers uitrekenen, in twee regels.
Zo reken je het uit
- Zet het kleinste getal onder het grootste.
- Regel 1: doe het bovenste getal keer de eenheid van het onderste.
- Regel 2: schrijf eerst een 0 en doe het bovenste getal keer het tiental.
- Tel de twee regels bij elkaar op.
43
×12
86
+430
516
Een voorbeeld, uitgewerkt
43 × 12
- Regel 1: 2 × 43 = 86.
- Regel 2 begint met een 0: 10 × 43 = 430.
- Tel de regels op: 86 + 430 = 516.
Nog meer voorbeelden
56 × 23
- Regel 1: 3 × 56 = 168.
- Regel 2 begint met een 0: 20 × 56 = 1.120.
- Tel de regels op: 168 + 1.120 = 1.288.
56
×23
168
+1120
1288
27 × 14
- Regel 1: 4 × 27 = 108.
- Regel 2 begint met een 0: 10 × 27 = 270.
- Tel de regels op: 108 + 270 = 378.
27
×14
108
+270
378
Let op
Je vergeet de 0 aan het begin van de tweede regel: bij 43 × 12 tel je 86 + 43 en krijg je 129.
De 1 in 12 is een tiental. Daar reken je dus met 10, en die regel begint met een 0.
Tips
- De tweede regel begint met een 0, want je rekent met tientallen.
- Schat vooraf: 43 × 12 is ongeveer 40 × 12, dus een kleine 500.
Waarom het werkt
43 × 12 is 43 × 2 en 43 × 10. De eerste regel is keer de eenheid, de tweede keer het tiental. Omdat het tiental tien keer zoveel waard is, begint die regel met een 0. Tel je de regels op, dan heb je het antwoord.