Sommenfamilies

Je leert vier sommen maken met drie getallen die bij elkaar horen in een sommenfamilie.

Zo reken je het uit

  1. Met drie getallen maak je vier sommen.
  2. Draai de getallen om voor plus.
  3. Trek af van het totaal voor min.
945

Een voorbeeld, uitgewerkt

7, 3 en 10

  1. Maak de eerste plussom: 7 + 3 = 10.
  2. Draai de getallen om voor de tweede plussom: 3 + 7 = 10.
  3. Trek af van het totaal voor de minsommen: 10 − 3 = 7 en 10 − 7 = 3.
Nog meer voorbeelden

8, 5 en 13

  1. Tel op: 8 + 5 = 13 en 5 + 8 = 13.
  2. Trek af van 13: 13 − 5 = 8 en 13 − 8 = 5.

25, 15 en 40

  1. Tel op: 25 + 15 = 40.
  2. Trek af van het totaal: 40 − 15 = 25.

Zelf proberen

  1. Maak de som af met de sommenfamilie van 14, 6 en 20

    20 − 14 = ?

  2. Maak de som af met de sommenfamilie van 45, 35 en 80

    35 + 45 = ?

Let op

  • Je telt bij een minsom de twee kleine getallen van elkaar af in plaats van van het totaal.

    Begin bij de minsommen altijd met het grootste getal: het totaal.

Tips

  • De familie heeft altijd twee plussommen en twee minsommen met dezelfde drie getallen.

Waarom het werkt

Optellen en aftrekken horen bij elkaar. Als je weet dat twee getallen samen een geheel vormen, weet je meteen vier sommen uit je hoofd. Zo draai je plussommen om naar minsommen.