Delen door een breuk
Je leert delen door een breuk, door de tweede breuk om te draaien en keer te doen.
Zo reken je het uit
- Laat de eerste breuk staan.
- Draai de tweede breuk om: boven en onder wisselen van plek.
- Maak van het deelteken een keerteken, en reken het keersommetje uit.
- Maak de breuk eenvoudiger als dat kan.
34
Een voorbeeld, uitgewerkt
12 : 14
- Draai 14 om: 41.
- Doe keer: 12 × 41.
- Reken boven en onder: 1 × 4 = 4 en 2 × 1 = 2, dus 42.
- Het is 2 hele: 21.
Nog meer voorbeelden
23 : 14
- Draai 14 om: 41.
- Doe keer: 23 × 41.
- Reken boven en onder: 2 × 4 = 8 en 3 × 1 = 3.
- Het is 83.
34 : 12
- Draai 12 om: 21.
- Doe keer: 34 × 21, dat is 64.
- Maak hem eenvoudiger: het is 32.
Let op
Je draait de eerste breuk om in plaats van de tweede.
De eerste breuk blijft staan. Alleen de breuk waar je door deelt, draai je om.
Je draait om, maar laat het deelteken staan.
Omdraaien en keer doen horen bij elkaar. Na het omdraaien wordt de : een ×.
Tips
- Delen door 12 is hetzelfde als keer 2: hoe vaak past een half erin?
Waarom het werkt
Delen door 14 betekent: hoe vaak past een kwart erin? In één hele passen 4 kwarten, dus delen door 14 is hetzelfde als keer 4. Daarom draai je de breuk om en doe je keer.