Breuken: de noemer zegt in hoeveel stukken

Je leert breuken lezen en gebruiken: onder de streep staat hoeveel stukken, boven de streep hoeveel je er hebt.

Zo reken je het uit

  1. Kijk onder de streep: dat is in hoeveel even grote stukken het hele is verdeeld.
  2. Kijk boven de streep: dat is hoeveel stukken je hebt of neemt.
  3. Lees een breuk af bij een strook of op de getallenlijn door de stukken te tellen.
  4. Wil je een deel van een getal weten, deel dan door de noemer en doe keer de teller.
34

Een voorbeeld, uitgewerkt

Welke breuk hoort bij de pijl?

  1. Kijk naar het stuk van 0 tot 1: het is in 8 stukjes verdeeld, dus 8 onder de streep.
  2. Tel van 0 tot de pijl: 3 stukjes, dus 3 boven de streep.
  3. Het is 38.
Nog meer voorbeelden

Welk deel is gekleurd?

  1. Tel de stukken: het zijn er 4, dus zet 4 onder de streep.
  2. Tel de gekleurde stukken: het zijn er 3, dus zet 3 boven de streep.
  3. Het is 34.

14 van 24

  1. Onder de streep staat 4: verdeel 24 in 4 even grote stukken.
  2. Reken uit: 24 : 4 = 6.
  3. Het is 6.
14

34 van 24

  1. Verdeel 24 in 4 stukken: 24 : 4 = 6.
  2. Boven de streep staat 3: neem 3 stukken.
  3. Reken uit: 3 × 6 = 18.
  4. Het is 18.

Zelf proberen

  1. 14 van 100

  2. 14 van 24

Let op

  • Je telt de streepjes in plaats van de stukjes: bij 4 stukjes tel je 5 streepjes.

    Tel de ruimtes tussen de streepjes, niet de streepjes zelf. Het streepje bij 0 telt niet mee.

  • Je deelt door het getal boven de streep: 14 van 20 wordt 20 : 1 = 20.

    Deel altijd door het getal onder de streep. Bij 34 van 24 doe je daarna nog keer 3.

Tips

  • Zet bij een strook onder de streep álle stukken, gekleurd én wit.
  • Op de getallenlijn is één hele altijd het stuk van 0 tot 1.

Uitzonderingen

  • Staat er een grotere teller dan noemer, zoals 54, dan is het meer dan één hele.

Waarom het werkt

Het getal onder de streep heet de noemer: het noemt hoe groot de stukken zijn. Het getal boven de streep heet de teller: het telt hoeveel stukken je hebt. De stukken moeten wel even groot zijn, anders klopt de breuk niet. Eerlijk verdelen is delen, dus een deel van een getal vind je door te delen door de noemer.