Breuken vermenigvuldigen
Je leert breuken keer elkaar doen, en een breuk keer een heel getal.
Zo reken je het uit
- Doe de getallen boven de streep keer elkaar.
- Doe de getallen onder de streep keer elkaar.
- Staat er een heel getal, doe dan alleen het getal boven de streep keer dat getal.
- Maak de breuk eenvoudiger als dat kan.
38
Een voorbeeld, uitgewerkt
12 × 13
- Doe boven keer boven: 1 × 1 = 1.
- Doe onder keer onder: 2 × 3 = 6.
- Het is 16.
Nog meer voorbeelden
23 × 14
- Doe boven keer boven: 2 × 1 = 2.
- Doe onder keer onder: 3 × 4 = 12, dus 212.
- Maak hem eenvoudiger: het is 16.
25 × 4
- Doe alleen boven keer 4: 2 × 4 = 8.
- Laat onder de 5 staan.
- Het is 85.
Let op
Je doet bij een heel getal ook onder keer: 25 × 4 wordt 820.
Een heel getal is 41. Onder doe je dus keer 1, en daar blijft de 5 staan.
Je maakt de getallen onder de streep eerst gelijk, zoals bij plus.
Bij keer hoeft dat niet. Doe gewoon boven keer boven en onder keer onder.
Tips
- Een heel getal schrijf je als breuk met een 1 onder de streep: 4 is 41.
Waarom het werkt
12 × 13 betekent: de helft van een derde. Dat stuk is kleiner, want je deelt een stuk nog een keer. Daarom doe je de getallen onder de streep keer elkaar, en de getallen boven de streep ook.