Van een deel naar het geheel

Je leert terugrekenen: als je weet hoeveel een deel is, zoek je hoeveel het hele is.

Zo reken je het uit

  1. Zoek eerst wat één stukje is: deel door het getal boven de streep.
  2. Staat daar een 1, dan weet je één stukje al.
  3. Doe één stukje keer het getal onder de streep: dat is het hele.
15

Een voorbeeld, uitgewerkt

15 deel is 6 knikkers. Hoeveel knikkers zijn er in totaal?

  1. Boven de streep staat 1: één stukje is 6 knikkers.
  2. Het hele is 5 stukjes: 5 × 6 = 30.
  3. Er zijn 30 knikkers.
Nog meer voorbeelden

34 deel is 12 kinderen. Hoeveel kinderen zijn er in totaal?

  1. Zoek één stukje: deel door 3, want 12 : 3 = 4.
  2. Het hele is 4 stukjes: 4 × 4 = 16.
  3. Er zijn 16 kinderen.

25 deel is 14 kaarten. Hoeveel kaarten zijn er in totaal?

  1. Zoek één stukje: deel door 2, want 14 : 2 = 7.
  2. Het hele is 5 stukjes: 5 × 7 = 35.
  3. Er zijn 35 kaarten.

Zelf proberen

  1. 23 deel is 10 . Hoeveel zijn er in totaal?

  2. 110 deel is 12 . Hoeveel zijn er in totaal?

Let op

  • Je deelt in plaats van keer te doen: 15 deel is 6, dus je rekent 6 : 5.

    Het hele is groter dan een deel. Je antwoord moet dus groter zijn dan het getal dat je kreeg.

  • Bij 34 deel is 12 doe je meteen 4 × 12 = 48.

    12 is 3 stukjes, niet één. Zoek eerst één stukje: 12 : 3 = 4, en doe pas daarna keer 4.

Tips

  • Het hele is altijd groter dan het deel dat je kreeg.
  • Controleer door het deel terug te rekenen: 34 van 16 is 12.

Waarom het werkt

Een breuk verdeelt het hele in even grote stukjes. Weet je hoeveel één stukje is, dan doe je dat zo vaak als er stukjes zijn. Heb je meer stukjes gekregen, dan deel je eerst om één stukje te vinden.