Breuken met dezelfde noemer: plus en min
Je leert breuken optellen en aftrekken die hetzelfde getal onder de streep hebben.
Zo reken je het uit
- Kijk of het getal onder de streep bij allebei hetzelfde is.
- Tel de getallen boven de streep op, of haal ze van elkaar af.
- Laat het getal onder de streep staan.
- Maak de uitkomst eenvoudiger als dat kan.
34
Een voorbeeld, uitgewerkt
14 + 24
- Onder staat allebei een 4: de stukken zijn even groot.
- Tel boven op: 1 + 2 = 3.
- Het is 34.
Nog meer voorbeelden
34 − 24
- Onder staat allebei een 4.
- Haal boven eraf: 3 − 2 = 1.
- Het is 14.
14
78 − 38
- Onder staat allebei een 8.
- Haal boven eraf: 7 − 3 = 4, dus 48.
- Maak hem eenvoudiger: 48 is 12.
48
14 + 14
- Onder staat allebei een 4.
- Tel boven op: 1 + 1 = 2, dus 24.
- Maak hem eenvoudiger: 24 is 12.
24
Let op
Je telt de getallen onder de streep ook op: 14 + 24 wordt 38.
De stukken blijven even groot. Laat het getal onder de streep staan.
Je haalt de getallen onder de streep ook van elkaar af: 34 − 14 wordt 20.
Het getal onder de streep blijft staan: 24.
Tips
- Maak de uitkomst daarna eenvoudiger als dat kan: 24 is 12.
- Kom je boven de hele uit, zoals 34 + 34 = 64, schrijf het dan als 1 24.
Waarom het werkt
Als de getallen onder de streep gelijk zijn, zijn de stukken even groot. Dan tel je of haal je gewoon stukken: 1 kwart en 2 kwarten zijn samen 3 kwarten, en 3 kwarten min 1 kwart is 2 kwarten. De grootte van het stuk verandert niet, dus het getal onder de streep blijft staan.