Omtrek van een cirkel
Je leert de omtrek van een cirkel uitrekenen met de straal en π.
Zo reken je het uit
- Doe de straal keer 2: dan heb je de doorsnede, dwars door het midden.
- Doe de doorsnede keer π, en π is ongeveer 3,14.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Een cirkel met straal 1 cm
- Doe de straal keer 2: 2 × 1 = 2 cm.
- Doe keer π: 2 × 3,14 = 6,28.
- De omtrek is 6,28 cm.
Nog meer voorbeelden
Een cirkel met straal 5 cm
- Doe de straal keer 2: 2 × 5 = 10 cm.
- Doe keer π: 10 × 3,14 = 31,4.
- De omtrek is 31,4 cm.
Een cirkel met straal 10 cm
- Doe de straal keer 2: 2 × 10 = 20 cm.
- Doe keer π: 20 × 3,14 = 62,8.
- De omtrek is 62,8 cm.
Let op
Je vergeet de keer 2: bij straal 5 reken je 5 × 3,14 = 15,7.
π hoort bij de doorsnede, dwars door het hele midden. Dat zijn 2 stralen.
Je doet de straal keer zichzelf, zoals bij de oppervlakte.
De omtrek is de rand: keer 2 en keer π. De oppervlakte is straal keer straal en keer π.
Tips
- Weet je de doorsnede al, dan doe je alleen nog keer π.
Waarom het werkt
De omtrek van elke cirkel is iets meer dan 3 keer zo lang als de doorsnede. Dat getal heet π, en het is ongeveer 3,14. De doorsnede is 2 stralen, dus doe je eerst de straal keer 2.