Delen met rest

Je leert delen met een rest: hoe vaak past het getal erin, en wat blijft er over?

Zo reken je het uit

  1. Zeg de tafel op van het getal waardoor je deelt.
  2. Stop bij de grootste uitkomst die nog in het grote getal past.
  3. Kijk hoeveel er dan over is: dat is de rest.
4 × 4
rest 2

Een voorbeeld, uitgewerkt

18 : 4

  1. Zeg de tafel van 4: 4, 8, 12, 16, 20.
  2. 20 past niet meer, 16 wel: 4 × 4 = 16.
  3. Er blijft over: 18 − 16 = 2.
  4. Dus 4 rest 2.
Nog meer voorbeelden

22 : 3

  1. De grootste uit de tafel van 3 die in 22 past, is 21: 7 × 3 = 21.
  2. Er blijft over: 22 − 21 = 1.
  3. Dus 7 rest 1.
7 × 3
rest 1

29 : 5

  1. De grootste uit de tafel van 5 die in 29 past, is 25: 5 × 5 = 25.
  2. Er blijft over: 29 − 25 = 4.
  3. Dus 5 rest 4.
5 × 5
rest 4

Zelf proberen

  1. 26 : 4 =

  2. 29 : 5 =

Let op

  • Je stopt te vroeg en houdt een te grote rest over: bij 18 : 4 zeg je 3 rest 6.

    Past het getal nog een keer in de rest, dan kan het nog een keer. De rest moet kleiner zijn dan 4.

  • Je vergeet de rest op te schrijven: bij 18 : 4 zeg je 4.

    Kijk na het delen altijd of er iets over is, en schrijf het op als rest.

Tips

  • De rest is altijd kleiner dan het getal waardoor je deelt.
  • Controleer met keer en plus: 4 × 4 = 16 en 16 + 2 = 18.

Uitzonderingen

  • Komt de deling precies uit, zoals 20 : 4, dan is de rest 0 en schrijf je geen rest op.

Waarom het werkt

Niet elke deling komt precies uit. Verdeel je 18 knikkers over 4 kinderen, dan krijgt iedereen er 4 en blijven er 2 over. De tafel vertelt je hoe vaak het past, en wat overblijft is de rest. De rest is altijd kleiner dan het getal waardoor je deelt.