Priemgetallen tot 100

Je leert zien of een getal een priemgetal is: het heeft alleen 1 en zichzelf als deler.

Zo reken je het uit

  1. Probeer of het getal deelbaar is door 2, 3, 5 of 7.
  2. Past er geen in, dan heeft het maar twee delers: 1 en zichzelf.
  3. Dan is het een priemgetal.
1 × 7

Een voorbeeld, uitgewerkt

Is 29 een priemgetal?

  1. Kijk naar het laatste cijfer: 9.
  2. Het is dus niet even en niet deelbaar door 5.
  3. Tel de cijfers op: 2 + 9 = 11, en 11 zit niet in de tafel van 3.
  4. Probeer 7: 7 × 4 = 28, dus 29 past er net niet in.
  5. Er is geen deler gevonden: 29 is een priemgetal.
Nog meer voorbeelden

Is 51 een priemgetal?

  1. Tel de cijfers op: 5 + 1 = 6.
  2. Zes zit in de tafel van 3, dus 51 ook.
  3. Reken na: 3 × 17 = 51.
  4. Het heeft meer delers dan 1 en zichzelf: 51 is geen priemgetal.

Is 91 een priemgetal?

  1. Door 2, 3 en 5 past 91 niet.
  2. Probeer 7: 7 × 13 = 91.
  3. Er is een deler gevonden: 91 is geen priemgetal.

Zelf proberen

  1. Antwoord met ja of nee

    Is 25 een priemgetal?

  2. Antwoord met ja of nee

    Is 35 een priemgetal?

Let op

  • Je denkt dat een oneven getal altijd een priemgetal is: 51 en 91 lijken priem, maar zijn het niet.

    Probeer ook 3 en 7. Een oneven getal kan nog steeds in een andere tafel zitten.

  • Je noemt 1 een priemgetal.

    Een priemgetal heeft twee verschillende delers. Het getal 1 heeft er maar één, dus 1 is geen priemgetal.

Tips

  • Het getal 2 is het enige even priemgetal. Alle andere even getallen zitten in de tafel van 2.

Waarom het werkt

Een priemgetal past in geen enkele tafel behalve die van 1 en van zichzelf. Tot 100 hoef je maar vier getallen te proberen: 2, 3, 5 en 7. Past geen van die vier, dan is het getal een priemgetal.