Negatieve getallen: keer en delen

Je leert keer en delen met negatieve getallen: eerst rekenen, dan het teken bepalen.

Zo reken je het uit

  1. Reken eerst zonder de mintekens.
  2. Tel dan de mintekens: bij twee of nul is het antwoord positief.
  3. Bij precies één zet je een min voor het antwoord.
13 × 4 = 122−3 × 4 = −12

Een voorbeeld, uitgewerkt

−3 × 4

  1. Reken zonder de mintekens: 3 × 4 = 12.
  2. Tel de mintekens: er is één.
  3. Één minteken geeft min, dus het antwoord is −12.
Nog meer voorbeelden

−7 × (−2)

  1. Reken zonder de mintekens: 7 × 2 = 14.
  2. Er zijn twee mintekens, dus het antwoord is positief: 14.

20 : (−5)

  1. Reken zonder de mintekens: 20 : 5 = 4.
  2. Er is één minteken, dus het antwoord is −4.

−6 : (−3)

  1. Reken zonder de mintekens: 6 : 3 = 2.
  2. Er zijn twee mintekens, dus het antwoord is positief: 2.

Zelf proberen

  1. −40 : 8 =

  2. −18 : (−6) =

Let op

  • Bij −7 × (−2) zet je toch een min voor het antwoord: −14.

    Tel de mintekens. Twee mintekens heffen elkaar op, dus het antwoord is positief.

Tips

  • Doe eerst het getal en dan pas het teken: twee aparte stappen.
  • Een even aantal mintekens geeft plus, een oneven aantal geeft min.

Waarom het werkt

Het getal reken je uit zoals altijd. Het teken volgt een vaste regel: twee dezelfde tekens geven plus, twee verschillende tekens geven min. Zo hoef je maar één ding tegelijk te doen.