Hij, zij of het: stam + t, ook na een d

Je leert de hij-vorm schrijven: de stam met een t erachter, ook als de stam op een d eindigt.

Zo schrijf je het

  1. Zoek de stam: haal -en van het werkwoord af.
  2. Staat er hij, zij, het of een naam voor, plak dan een t achter de stam.
  3. Eindigt de stam op een d, dan blijft die d staan: word + t is wordt.
  4. Eindigt de stam al op een t, dan komt er geen tweede t bij.
WerkwoordschemaTegenwoordige tijd
ikik werk
alleen de stam
hij / zij / jijhij werkt
stam + t
jij of je erachterwerk jij?
alleen de stam, geen tde t valt weg
wij / jullie / zijwij werken
het hele werkwoord

Een voorbeeld, uitgewerkt

Hij ___ naar school. (lopen, tegenwoordige tijd)

  1. Zoek de stam van lopen: haal -en weg, dan blijft loop over.
  2. Kijk wie er voor staat: hij.
  3. Plak er een t achter de stam.
  4. Je schrijft loopt.
WerkwoordschemaTegenwoordige tijd
ikik word
alleen de stam
hij / zij / jijhij wordt
stam + tstam met d + t = dt
jij of je erachterword jij?
alleen de stam, geen tde t valt weg
wij / jullie / zijwij worden
het hele werkwoord
Nog meer voorbeelden

De hond ___ naar de poes. (blaffen, tegenwoordige tijd)

  1. Zoek de stam van blaffen: blaf.
  2. De hond is hij.
  3. Plak er een t achter: blaft.
WerkwoordschemaTegenwoordige tijd
ikik word
alleen de stam
hij / zij / jijhij wordt
stam + tstam met d + t = dt
jij of je erachterword jij?
alleen de stam, geen tde t valt weg
wij / jullie / zijwij worden
het hele werkwoord

Hij ___ heel boos. (worden, tegenwoordige tijd)

  1. Zoek de stam van worden: word, met een d.
  2. Er staat hij voor.
  3. Plak er een t achter, de d blijft staan: wordt.
WerkwoordschemaTegenwoordige tijd
ikik word
alleen de stam
hij / zij / jijhij wordt
stam + tstam met d + t = dt
jij of je erachterword jij?
alleen de stam, geen tde t valt weg
wij / jullie / zijwij worden
het hele werkwoord

Hij ___ op de bus. (wachten, tegenwoordige tijd)

  1. Zoek de stam van wachten: wacht.
  2. Er staat hij voor, maar de stam eindigt al op een t.
  3. Er komt geen tweede bij: wacht.
WerkwoordschemaTegenwoordige tijd
ikik word
alleen de stam
hij / zij / jijhij wordt
stam + tstam met d + t = dt
jij of je erachterword jij?
alleen de stam, geen tde t valt weg
wij / jullie / zijwij worden
het hele werkwoord

Zelf proberen

  1. roepen · tegenwoordige tijd

    De ___ de bij elkaar voor het fluitsignaal.

  2. reizen · tegenwoordige tijd

    De verslaggever ___ de hele wereld over voor het .

Let op

  • Je vergeet de t als er een naam of een ding voor staat, zoals de hond blaf.

    Vervang het onderwerp door hij of zij: hij blaft. Dan hoor je dat er een t komt.

  • Je laat de d weg en schrijft alleen een t, zoals hij wort.

    Zoek eerst de stam: word, met een d. Die d gaat nooit weg. Daarna komt de t erbij.

Tips

  • Staat er een naam of een ding voor? Vervang het door hij of zij.

Uitzonderingen

  • Eindigt de stam al op een t, zoals wacht, dan komt er geen tweede t bij.

Waarom het werkt

Bij hij, zij, het en jij voor het werkwoord komt er een t achter de stam. Dat geldt ook als het onderwerp een naam of een ding is: de hond is hij. Eindigt de stam op een d, zoals word, dan hoort die d bij de stam en de t bij hij, dus staan ze er allebei: hij wordt. Eindigt de stam zelf al op een t, dan komt er geen tweede bij.