Sterke werkwoorden: verleden tijd
Je leert de verleden tijd van sterke werkwoorden: de klank verandert, en er komt geen -te of -de achter.
Zo schrijf je het
- Kijk of het werkwoord van klank verandert: lopen wordt liep.
- Zeg het rijtje hardop: lopen, liep, gelopen.
- Gebruik dan geen -te of -de en ook geen 't kofschip.
- Leer deze vormen als vaste rijtjes uit je hoofd.
WerkwoordschemaTegenwoordige tijd
ikik lop
alleen de stam
hij / zij / jijhij lopt
stam + t
jij of je erachterlop jij?
alleen de stam, geen tde t valt weg
wij / jullie / zijwij lopen
het hele werkwoord
Een voorbeeld, uitgewerkt
Hij ___ naar de bushalte. (lopen, verleden tijd)
- Lopen is een sterk werkwoord: de klank verandert.
- Zeg het rijtje: lopen, liep, gelopen.
- Het tweede woord is de verleden tijd.
- Je schrijft liep.
Nog meer voorbeelden
Ik ___ het hele boek uit. (lezen, verleden tijd)
- Lezen is een sterk werkwoord.
- Zeg het rijtje: lezen, las, gelezen.
- Je schrijft las.
De vogel ___ over de sloot. (vliegen, verleden tijd)
- Vliegen is een sterk werkwoord.
- Zeg het rijtje: vliegen, vloog, gevlogen.
- Je schrijft vloog.
Zelf proberen
kruipen · verleden tijd
De kleine ___ behendig onder de salontafel door.
helpen · verleden tijd
Mijn broer ___ mij met mijn .
Let op
Je maakt er een zwak werkwoord van, zoals loopte.
Zeg het rijtje hardop. Klinkt loopte gek? Dan is het een sterk werkwoord.
Tips
- Sterke werkwoorden kun je niet uitrekenen. Leer de rijtjes en zeg ze af en toe hardop.
Waarom het werkt
Bij sterke werkwoorden zoals lopen en zwemmen verandert de klank: liep, zwom. Daar werkt 't kofschip niet. Deze vormen leer je als vaste rijtjes: lopen, liep, gelopen. Wie het rijtje kent, hoeft niet te rekenen.