Sterke werkwoorden: verleden tijd

Je leert de verleden tijd van sterke werkwoorden: de klank verandert, en er komt geen -te of -de achter.

Zo schrijf je het

  1. Kijk of het werkwoord van klank verandert: lopen wordt liep.
  2. Zeg het rijtje hardop: lopen, liep, gelopen.
  3. Gebruik dan geen -te of -de en ook geen 't kofschip.
  4. Leer deze vormen als vaste rijtjes uit je hoofd.
WerkwoordschemaTegenwoordige tijd
ikik lop
alleen de stam
hij / zij / jijhij lopt
stam + t
jij of je erachterlop jij?
alleen de stam, geen tde t valt weg
wij / jullie / zijwij lopen
het hele werkwoord

Een voorbeeld, uitgewerkt

Hij ___ naar de bushalte. (lopen, verleden tijd)

  1. Lopen is een sterk werkwoord: de klank verandert.
  2. Zeg het rijtje: lopen, liep, gelopen.
  3. Het tweede woord is de verleden tijd.
  4. Je schrijft liep.
Nog meer voorbeelden

Ik ___ het hele boek uit. (lezen, verleden tijd)

  1. Lezen is een sterk werkwoord.
  2. Zeg het rijtje: lezen, las, gelezen.
  3. Je schrijft las.

De vogel ___ over de sloot. (vliegen, verleden tijd)

  1. Vliegen is een sterk werkwoord.
  2. Zeg het rijtje: vliegen, vloog, gevlogen.
  3. Je schrijft vloog.

Zelf proberen

  1. kruipen · verleden tijd

    De kleine ___ behendig onder de salontafel door.

  2. helpen · verleden tijd

    Mijn broer ___ mij met mijn .

Let op

  • Je maakt er een zwak werkwoord van, zoals loopte.

    Zeg het rijtje hardop. Klinkt loopte gek? Dan is het een sterk werkwoord.

Tips

  • Sterke werkwoorden kun je niet uitrekenen. Leer de rijtjes en zeg ze af en toe hardop.

Waarom het werkt

Bij sterke werkwoorden zoals lopen en zwemmen verandert de klank: liep, zwom. Daar werkt 't kofschip niet. Deze vormen leer je als vaste rijtjes: lopen, liep, gelopen. Wie het rijtje kent, hoeft niet te rekenen.