Verleden tijd: 't kofschip

Je leert de verleden tijd schrijven: 't kofschip zegt of je -te of -de achter de stam plakt.

Zo schrijf je het

  1. Zoek de stam: het hele werkwoord zonder -en.
  2. Kijk op welke letter de stam eindigt.
  3. Zit die letter in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), schrijf dan -te of -ten.
  4. Zo niet, schrijf dan -de of -den.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Gisteren ___ hij in de tuin. (werken, verleden tijd)

  1. Zoek de stam van werken: werk.
  2. Kijk naar de laatste letter: een k.
  3. De k zit in 't kofschip.
  4. Plak er -te achter: werkte.
Nog meer voorbeelden

Zij ___ gisteren haar woordjes. (leren, verleden tijd)

  1. Zoek de stam van leren: leer.
  2. Die eindigt op een r, en de r zit niet in 't kofschip.
  3. Plak er -de achter: leerde.

Wij ___ naar Italië. (reizen, verleden tijd)

  1. Zoek de stam van reizen: reiz.
  2. De z zit niet in 't kofschip, dus -de, en bij wij -den.
  3. Schrijf de stam met een s: reisden.

Zelf proberen

  1. hopen · verleden tijd

    De supporters ___ op een in de .

  2. dromen · verleden tijd

    Als kind ___ ik al van een naar de maan.

Let op

  • Je kijkt naar de s van reis en schrijft reiste.

    Kijk naar het hele werkwoord: reizen, met een z. Die z zit niet in 't kofschip.

Tips

  • Onthoud 't kofschip: t, k, f, s, ch, p.
  • Bij wij en zij (meer dan één) komt er -n achter: werkten, leerden.

Waarom het werkt

In 't kofschip zitten de letters t, k, f, s, ch en p. Eindigt de stam op een van die letters, dan komt er -te achter, anders -de. Kijk naar de stam vóórdat een z of v een s of f wordt: reizen heeft de stam reiz, dus -de.