Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord

Je leert bijvoeglijk gebruikte voltooide deelwoorden zo kort mogelijk te spellen.

Zo schrijf je het

  1. Gebruik je een deelwoord als bijvoeglijk woord, schrijf het dan zo kort mogelijk.
  2. Gebruik één d of één t.
  3. Verdubbel nooit een d of t aan het einde.
WerkwoordschemaTegenwoordige tijd
ikik het
alleen de stam
hij / zij / jijhij het
stam + t
jij of je erachterhet jij?
alleen de stam, geen tde t valt weg
wij / jullie / zijwij het
het hele werkwoord

Een voorbeeld, uitgewerkt

De ___ boterham smaakte naar as. (verbranden)

  1. Kijk naar het woord: verbranden.
  2. Het voltooid deelwoord is verbrand.
  3. Als bijvoeglijk naamwoord schrijf je het zo kort mogelijk: verbrande met één d.
Nog meer voorbeelden

Het pas ___ hek blonk in de zon. (verven)

  1. Het voltooid deelwoord is geverfd.
  2. Zet er een e achter en schrijf zo kort mogelijk: geverfde.

De ___ kamer zag er prachtig uit. (vergroten)

Schrijf zo kort mogelijk: vergrote met één t, niet met dubbel t.

Zelf proberen

  1. breien · bijvoeglijk gebruikt

    In de draag ik altijd een ___ mutsje.

  2. koelen · bijvoeglijk gebruikt

    Op die hete zomerdag smaakte het ___ .

Let op

  • Je schrijft verbrandde met dubbel d omdat de stam op een d eindigt.

    In de verleden tijd schrijf je hij verbrandde, maar bijvoeglijk altijd zo kort mogelijk: de verbrande taart.

Tips

  • Vergelijk het met een gewoon bijvoeglijk naamwoord zoals groot of rood: de rode appel, de verbrande taart.

Waarom het werkt

Staat een voltooid deelwoord voor een zelfstandig naamwoord, dan noemt het een eigenschap. De hoofdregel is: schrijf het zo kort mogelijk. Je schrijft dus nooit dubbel d of dubbel t aan het eind.