Elk woord benoemen
Je leert elk woord van een zin benoemen, met voor elke woordsoort zijn eigen proef.
Zo doe je de proef
- Zoek eerst het werkwoord: zet er ik of wij voor.
- Zoek dan de namen van dingen: zet er de, het of een voor.
- Kijk naar het woordje ervoor: een lidwoord, of een woord dat zegt hoe iets is.
- Benoem de rest met hun eigen proef: waar, van wie, hoeveel.
Woordsoorten
lidwoordde, het, een
zelfstandig naamwoordhond, tafel, kind
bijvoeglijk naamwoordmooi, rood, groot
werkwoordlopen, fietst, is
voorzetselin, op, naast, voor
voornaamwoordik, hij, mijn, deze
Een voorbeeld, uitgewerkt
Benoem elk woord: De kleine hond blaft luid.
- Zoek het werkwoord: ik blaf, dus blaft is ww.
- Zoek het ding: de hond, dus hond is zn.
- De is lw en kleine zegt hoe de hond is: bn.
- Luid hoort bij blaft: bw.
Nog meer voorbeelden
Benoem elk woord: Mijn zus fietst naar school.
- Zoek het werkwoord: ik fiets, dus fietst is ww.
- Zoek de dingen: zus en school zijn zn.
- Mijn zegt van wie: bez vnw.
- Naar is een voorzetsel: vz.
Benoem elk woord: Wij zien drie vogels in de boom.
- Zoek het werkwoord: ik zie, dus zien is ww.
- Zoek de dingen: vogels en boom zijn zn.
- Drie zegt hoeveel: telwoord.
- In is een voorzetsel: vz.
- De is lw, en wij is een persoonlijk voornaamwoord.
Let op
Je begint vooraan en gokt woord voor woord.
Begin met het werkwoord en de dingen: die vind je het snelst. De rest valt daarna op zijn plek.
Tips
- Streep elk woord af dat je al benoemd hebt: dan blijft er steeds minder over.
Uitzonderingen
- Sommige woorden kunnen meer dan één soort zijn, zoals bel: een ding of een werkwoord. Kijk wat het woord in deze zin doet.
Waarom het werkt
Een hele zin benoemen lijkt veel, maar het zijn losse proefjes na elkaar. Begin met de makkelijkste: het werkwoord met ik of wij, en de dingen met de, het of een. Wat overblijft is kleiner, en daarvoor heb je de andere proeven.