Het aanwijzend voornaamwoord

Je leert het aanwijzend voornaamwoord vinden: deze, dit, die of dat, het woord waarmee je iets aanwijst.

Zo doe je de proef

  1. Zoek het woord waarmee je iets aanwijst: deze, dit, die of dat.
  2. Wijs er met je vinger bij terwijl je het zegt: kan dat? Dan is het er een.
  3. Onthoud: deze en dit zijn dichtbij, die en dat verder weg.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het aanwijzend voornaamwoord aan: Deze appel is helemaal rot.

  1. Zoek het ding: appel.
  2. Wijs er in je hoofd naar: deze appel.
  3. Het aanwijzend voornaamwoord is Deze.
Nog meer voorbeelden

Wijs het aanwijzend voornaamwoord aan: Kijk eens naar die vogel.

  1. Zoek het ding: vogel.
  2. Wijs er in je hoofd naar: die vogel, daar verderop.
  3. Het aanwijzend voornaamwoord is die.

Wijs het aanwijzend voornaamwoord aan: Dit boek is van mij.

  1. Zoek het ding: boek.
  2. Wijs er in je hoofd naar: dit boek, hier vlakbij.
  3. Het aanwijzend voornaamwoord is Dit.

Let op

  • Je wijst het lidwoord aan in plaats van het aanwijzend voornaamwoord.

    De, het en een wijzen niets aan. Deze, dit, die en dat wel: daar kun je je vinger bij opsteken.

Tips

  • Bij een de-woord zeg je deze of die, bij een het-woord dit of dat.

Waarom het werkt

Met deze, dit, die en dat wijs je iets aan, alsof je je vinger erbij opsteekt. Deze en dit gebruik je voor iets dichtbij, die en dat voor iets verder weg. Kun je bij het woord wijzen, dan heb je het.