Het zelfstandig naamwoord

Je leert het zelfstandig naamwoord vinden: een woord waar je de, het of een voor kunt zetten.

Zo doe je de proef

  1. Zoek een woord dat een ding, dier, mens of plaats noemt.
  2. Zet er de, het of een voor.
  3. Klinkt dat goed? Dan is het een zelfstandig naamwoord.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het zelfstandig naamwoord aan: Onze buurman fietst snel.

  1. Zet de voor elk woord.
  2. De fietst? Dat kan niet.
  3. De snel? Dat kan ook niet.
  4. De buurman kan wel: het zelfstandig naamwoord is buurman.
Nog meer voorbeelden

Wijs het zelfstandig naamwoord aan: Het regent op mijn jas.

  1. Zet de of het voor de woorden.
  2. Het regent is geen ding.
  3. De jas kan wel: het zelfstandig naamwoord is jas.

Wijs het zelfstandig naamwoord aan: Mijn opa kookt lekker.

  1. Zet de, het of een voor elk woord.
  2. De kookt en de lekker kunnen niet.
  3. De opa kan wel.
  4. Het zelfstandig naamwoord is opa.

Wijs het zelfstandig naamwoord aan: Het konijn springt snel.

  1. Zet de, het of een voor elk woord.
  2. Een springt en een snel klinken gek.
  3. Het konijn kan wel.
  4. Het zelfstandig naamwoord is konijn.

Let op

  • Je wijst het werkwoord aan, omdat het vooraan staat, zoals fietst.

    Zeg er de voor: de fietst. Klinkt het gek, dan is het geen zelfstandig naamwoord.

Tips

  • Staat er al een lidwoord in de zin, dan staat het zelfstandig naamwoord er meestal vlak achter.

Uitzonderingen

  • Namen als Fien en Amsterdam zijn ook zelfstandige naamwoorden, maar je zegt er meestal geen de, het of een voor.

Waarom het werkt

Een zelfstandig naamwoord is de naam van een ding, dier, mens of plaats. Zulke woorden kun je altijd met de, het of een zeggen. Bij andere woorden klinkt dat gek, en zo hoor je het verschil.