Het bezittelijk voornaamwoord
Je leert het bezittelijk voornaamwoord vinden: het woord dat zegt van wie iets is.
Zo doe je de proef
- Zoek het woord dat zegt van wie iets is: mijn, jouw, zijn, haar, onze, hun.
- Doe de proef: zeg het ding met van mij, van jou of van hem erachter.
- Klopt het? Dan is het een bezittelijk voornaamwoord.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Wijs het bezittelijk voornaamwoord aan: Ik kan mijn sleutels niet vinden.
- Zoek het ding: sleutels.
- Vraag: van wie zijn ze? Ze zijn van mij.
- Dus het bezittelijk voornaamwoord is mijn.
Nog meer voorbeelden
Wijs het bezittelijk voornaamwoord aan: De buren hebben hun tuin opgeknapt.
- Zoek het ding: tuin.
- Vraag: van wie is de tuin? De tuin van hen, dus het is hun.
Wijs het bezittelijk voornaamwoord aan: Jouw fiets staat bij de deur.
- Zoek het ding: fiets.
- Vraag: van wie is de fiets? De fiets van jou, dus het is jouw.
Let op
Je wijst het ding aan, bijvoorbeeld sleutels in plaats van mijn.
Het ding is het zelfstandig naamwoord. Het woordje ervoor zegt van wie het is.
Tips
- Het staat bijna altijd vlak voor het ding: mijn tas, onze hond.
Uitzonderingen
- Zijn kan ook een werkwoord zijn, zoals in wij zijn thuis. Alleen als het bij een ding staat, is het bezittelijk.
Waarom het werkt
Woorden als mijn, jouw, zijn en hun vertellen van wie iets is. Je test het door het ding met van mij, van jou of van hem erachter te zeggen. Betekent de zin dan hetzelfde, dan heb je het goede woord.