Het persoonlijk voornaamwoord
Je leert het persoonlijk voornaamwoord vinden: een kort woord zoals ik, hij of wij, dat voor een naam staat.
Zo doe je de proef
- Zoek een kort woord voor een persoon: ik, jij, hij, zij, wij, jullie, hem, haar, ons.
- Zet er een naam voor in de plaats.
- Klopt de zin nog? Dan is het een persoonlijk voornaamwoord.
Een voorbeeld, uitgewerkt
Wijs het persoonlijk voornaamwoord aan: Zij loopt naar de winkel.
- Zoek het korte woord voor een persoon: zij.
- Zet er een naam voor in de plaats: Fien loopt naar de winkel.
- Dat klopt, dus het is zij.
Nog meer voorbeelden
Wijs het persoonlijk voornaamwoord aan: De juf helpt hem.
- Zoek het korte woord voor een persoon: hem.
- Zet er een naam voor in de plaats: de juf helpt Sam.
- Dat klopt, dus het is hem.
Wijs het persoonlijk voornaamwoord aan: Mama belt hem vanavond.
- Zoek het korte woord voor een persoon: hem.
- Zet er een naam voor in de plaats: mama belt Tom vanavond.
- Dat klopt, dus het is hem.
Let op
Je wijst zijn aan in Hij vergeet zijn jas.
Zijn zegt van wie de jas is: dat is een bezittelijk voornaamwoord. Hij staat voor een naam: dat is het persoonlijk voornaamwoord.
Tips
- Ik, jij, hij, zij, wij en jullie heb je het vaakst nodig.
- Het en ze kunnen ook voor dingen staan, niet alleen voor mensen: het boek, ik lees het.
Waarom het werkt
In plaats van steeds Fien te zeggen, zeg je zij. Zulke woorden staan in de plaats van een naam. Zet je de naam terug en klopt de zin nog, dan weet je dat je het goede woord hebt.