Het lidwoord

Je leert het lidwoord vinden: de, het of een, het woordje vlak voor een ding, dier of mens.

Zo doe je de proef

  1. Onthoud de drie lidwoorden: de, het en een.
  2. Zoek in de zin de naam van een ding, dier of mens.
  3. Kijk welk woordje daar vlak voor staat.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het lidwoord aan: De hond blaft luid.

  1. Zoek de naam van een dier: hond.
  2. Kijk welk woordje ervoor staat.
  3. Het lidwoord is De.
Nog meer voorbeelden

Wijs het lidwoord aan: Er ligt een boek op tafel.

  1. Zoek de naam van een ding: boek.
  2. Kijk welk woordje ervoor staat.
  3. Het lidwoord is een.

Wijs het lidwoord aan: Wij kijken naar het journaal.

  1. Zoek de naam van een ding: journaal.
  2. Kijk welk woordje ervoor staat.
  3. Het lidwoord is het.

Let op

  • Je wijst het ding zelf aan, bijvoorbeeld hond in plaats van de.

    Het ding is het zelfstandig naamwoord. Het lidwoord is het kleine woordje ervoor.

Tips

  • Gebruik een voor iets wat nog niet bekend is en de of het voor iets bepaalds: een hond, de hond.

Uitzonderingen

  • Soms staat er geen lidwoord voor een zelfstandig naamwoord, zoals in Ik eet soep.

Waarom het werkt

Er bestaan maar drie lidwoorden: de, het en een. Ze staan altijd vlak voor de naam van iets. Wie eerst het ding zoekt, vindt het lidwoord ervoor vanzelf.