Het werkwoord

Je leert het werkwoord vinden: het woord dat zegt wat er gebeurt, en waar je ik of wij voor kunt zetten.

Zo doe je de proef

  1. Zoek het woord dat zegt wat er gebeurt of wat iemand doet.
  2. Zet er ik of wij voor: ik loop, wij lopen.
  3. Klinkt dat goed? Dan is het een werkwoord.

Een voorbeeld, uitgewerkt

Wijs het werkwoord aan: De kat slaapt op de bank.

  1. Vraag: wat gebeurt er? Slaapt is wat de kat doet.
  2. Zet er ik voor: ik slaap.
  3. Dat kan, dus het werkwoord is slaapt.
Nog meer voorbeelden

Wijs het werkwoord aan: De bel gaat om drie uur.

  1. Zet ik voor de woorden.
  2. Ik bel? Dat is hier geen doen: de bel is een ding.
  3. Ik ga kan wel, dus het werkwoord is gaat.

Wijs het werkwoord aan: Mijn vader repareert de fiets.

  1. Vraag: wat doet mijn vader? Hij repareert.
  2. Zet er ik voor: ik repareer.
  3. Dat kan, dus het werkwoord is repareert.

Wijs het werkwoord aan: De bus rijdt langs het park.

  1. Vraag: wat doet de bus? Zet er ik of wij voor: ik rijd, wij rijden.
  2. Dat kan, dus het werkwoord is rijdt.

Let op

  • Je wijst een woord aan dat ook een werkwoord kan zijn, zoals bel in de bel gaat.

    Kijk wat het woord in déze zin doet. Staat er de voor, dan is het hier een ding.

Tips

  • Klinkt het gek als je ik voor het woord zet, zoals ik hond, dan is het geen werkwoord.
  • Staan er twee werkwoorden naast elkaar, zoals gaat zwemmen, dan zijn het allebei werkwoorden.

Waarom het werkt

Een werkwoord zegt wat iemand doet of wat er gebeurt. Je kunt het altijd met ik of wij zeggen: ik loop, wij lopen. Bij een ding of een naam kan dat niet, en zo hoor je welk woord het werkwoord is.